Deutsche Bahn hoeft concurrenten geen kwart van de spoorcapaciteit te geven
Deutsche Bahn hoeft op drukke langeafstandstrajecten niet verplicht minimaal een kwart van de spoorcapaciteit beschikbaar te stellen aan concurrenten. Dat heeft de rechtbank van Keulen bepaald in een voorlopige uitspraak over een besluit van de Duitse spoorwegtoezichthouder Bundesnetzagentur (BNetzA).
Met de uitspraak krijgt de Duitse spoorwegmaatschappij voorlopig gelijk in het conflict over de toegang tot het spoor voor nieuwe aanbieders, waaronder het Italiaanse Italo.
De zaak draait om de geplande toetreding van Italo tot de Duitse markt voor langeafstandstreinen in april 2028. Het Italiaanse bedrijf diende een klacht in bij de BNetzA, omdat het de verdeling van de schaarse spoorcapaciteit als een belemmering voor nieuwe concurrenten beschouwt.
Zekerheid over trajecten
Italo wilde via een raamovereenkomst voor meerdere jaren zekerheid krijgen over specifieke treintrajecten en vertrektijden, ook wel rijpaden genoemd. Omdat DB InfraGO de dienstregeling jaarlijks opnieuw vaststelt en de capaciteit opnieuw verdeelt, vond Italo de bestaande situatie te onzeker om de benodigde investeringen te doen
De BNetzA besloot op 17 juli dat DB InfraGO op drukke trajecten met capaciteitsbeperkingen voortaan 25 tot 40 procent van de beschikbare ruimte aan concurrenten moest toewijzen. De maatregel was onder meer bedoeld voor knooppunten als München en Frankfurt.
Italo wil circa 3,6 miljard euro investeren in zijn Duitse activiteiten en is van plan dagelijks 56 treinritten aan te bieden, met verbindingen van München via Keulen naar Dortmund en van München naar Berlijn. Deutsche Bahn vocht het besluit aan en stelde dat de regeling zou leiden tot meer conflicten over de toewijzing van spoorlijnen op specifieke tijdstippen. Volgens het bedrijf moest DB InfraGO voor de dienstregeling van 2026 al meer dan 5.600 van dergelijke conflicten oplossen.
Oordeel
De rechtbank oordeelde dat Europese en Duitse spoorwegregels geen verplichting bevatten om een concurrentiebeding op te nemen in de gebruiksvoorwaarden van de infrastructuurbeheerder. Bovendien achtte de rechtbank de opgelegde maatregel ongeschikt om het beoogde doel te bereiken. Het besluit van de BNetzA werd daarom in de voorlopige procedure onrechtmatig verklaard. Tegen de uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.